Skip to Content
Terug naar het overzicht

Fantasie is voor alle kinderen belangrijk. Het helpt hen vat te krijgen op hun emoties en op dingen die ze nog niet begrijpen. Zo is het voor kinderen bijvoorbeeld prettiger om bang te zijn voor een gefantaseerd monster dat onder hun bed zit dan bang te zijn voor iets wat ze nog niet begrijpen. Laat staan voor iets wat ze nog niet onder woorden kunnen brengen. Over dat monster kunnen ze praten en dan kan hun moeder of vader die engerd gewoon wegjagen. Dat stelt kinderen gerust en dan kunnen ze lekker gaan slapen. De werkelijke reden waarom ze bang zijn, verdwijnt dan even naar de achtergrond.

Maar fantasie doet veel meer. Naast bij het omgaan met emoties kan fantasie kinderen ook helpen om te ontdekken hoe dingen werken, wat ze willen worden als ze later groot zijn of om iets te doen wat ze feitelijk (nog) niet kunnen. Dat laatste is met name voor gehandicapte kinderen erg fijn, want het stelt ze in staat te rennen, in bomen te klimmen en van de allerhoogste glijbaan af te roetsjen. Zo kan menig gehandicapt kind echt alles en misschien zelfs nog sneller en beter dan een niet-gehandicapt vriendje of vriendinnetje (of een grote zus of broer).

“Zo zullen er veel gehandicapte kinderen zijn die kijkend meespelen met de kinderen in de straat, kijkend meevoetballen, kijkend meezwemmen, enzovoort.”

Er is alleen één probleem: niemand ziet het en mensen vinden het gek als je erover vertelt. En dus houd je je mond.

Kijkend meedoen

Dat was mijn eigen conclusie als kindercoach uit vele observaties van gehandicapte kinderen, aangevuld met lezen, praten en denken daarover. Later bleek deze tot op grote hoogte overeen te komen met de conclusies uit onderzoek naar de belevingswereld van gehandicapte kinderen, dat plaatsvond aan het eind van de vorige eeuw (K.J. Mulderij, H. Bleeker, 1982).

Deze onderzoekers stuitten op twee zusjes, van wie er één gehandicapt was. Het gehandicapte meisje was gaan kijken naar een balletles van haar niet-gehandicapte zusje. Na de les was zij minstens even bezweet en moe als haar zusje dat de balletles had gedaan. Toen de onderzoekers daarover met het gehandicapte meisje praatten, bleek dat zij ingespannen had zitten opletten en dat ze in haar fantasie alle bewegingen zo precies had meegedaan, dat ze was gaan transpireren en er ook moe van was geworden. Ze had de balletles als het ware gewoon meegedaan.

“Net als alle kinderen weten gehandicapte kinderen natuurlijk dat iets fantaseren net zo echt en net zo belangrijk is als iets fysiek doen.”

Zo zullen er veel gehandicapte kinderen zijn die kijkend meespelen met de kinderen in de straat, kijkend meevoetballen, kijkend meezwemmen, enzovoort. Totdat een goedbedoelende ouder het kind meeneemt naar binnen, omdat het “zo sneu is voor het kind om steeds maar toe te moeten kijken hoe andere kinderen fijn samen spelen en sporten”.

Onzichtbaar en moeilijk te delen

Aan de ene kant biedt fantaseren voor gehandicapte kinderen een grote uitkomst om gewoon mee te doen met de rest, maar aan de andere kant maakt het hen ook eenzaam. Hun spel is immers niet zichtbaar en daardoor kunnen ze lastiger delen wat ze beleefd of gepresteerd hebben. Want als ze dat wel doen, worden ze vaak niet begrepen of meewarig aangekeken. Door dit soort reacties kunnen ze aan zichzelf gaan twijfelen: hebben ze wel echt met de andere kinderen gespeeld? Of zijn ze wel echt in die grote boom geklommen?

“Mogen fantaseren in de kindertijd legt een goede basis voor veel zelfvertrouwen.”

Net als alle kinderen weten gehandicapte kinderen natuurlijk dat iets fantaseren net zo echt en net zo belangrijk is als iets fysiek doen. Maar in de blik van hun ouders zien ze ongeloof en scepsis. Vanuit de ouders gezien is dat logisch, want fantasie zegt hun niet zoveel meer. Daar zijn ze in de loop van de jaren – net als de meeste volwassen – te realistisch voor geworden. Daardoor vinden zij de fantasie van hun gehandicapte kind mogelijk overdreven.

Maar voor gehandicapte kinderen is het meer dan jammer dat hun ouders niet zien wat zij in hun fantasie allemaal doen. De kans is zelfs groot dat gehandicapte kinderen daardoor hun fantasie eerder verliezen dan leeftijdgenootjes. Daarmee raken ze een belangrijke krachtbron kwijt, die ze in de rest van hun leven nog zo hard nodig zullen hebben, juist vanwege hun handicap.

Fantasie geeft zelfvertrouwen

Een gehandicapte puber die over een gezonde dosis verbeelding beschikt, zal zich bijvoorbeeld vrij gemakkelijk de allerknapste van de wijde omgeving wanen. Het zelfvertrouwen dat de puber daarvan krijgt, geeft zo’n weldadige uitstraling dat de kandidaatvriendjes of -vriendinnetjes niet te tellen zijn. Daarentegen zal een gehandicapte puber zonder die gezonde dosis verbeelding geneigd zijn om zichzelf te vergelijken met het heersende ideaalbeeld – of dat nu terecht is of niet. Dikke kans dat deze gehandicapte puber een veel somberder uitstraling ontwikkelt, wat eventuele vriendjes of vriendinnetjes eerder zal afstoten.

“Door te fantaseren doen kinderen ervaring op.”

Iets soortgelijks geldt voor sollicitatiegesprekken die een gehandicapte (jong)volwassene zal gaan voeren. Iemand in een rolstoel die zichzelf, dankzij een gezonde dosis verbeelding, kan presenteren als een zelfverzekerde, betrouwbare, kundige werknemer maakt vanzelfsprekend meer kans op een baan.

Voor zelfvertrouwen is natuurlijk meer nodig dan alleen fantasie. Maar het is zeker verantwoord om te stellen dat mogen fantaseren in de kindertijd een goede basis legt voor veel zelfvertrouwen.

Rol van ouders

Ouders vragen zich wellicht af wat je moet met een kind dat zichzelf ziet rennen, in een boom ziet klimmen, van de hoogste glijbaan ziet roetsjen, terwijl het kind niet eens kan staan. Ze denken misschien dat het als weldenkende ouder beter is om niet mee te mee te gaan in deze fantasieën, maar het kind duidelijk te maken dat het nu eenmaal gehandicapt is en daardoor sommige dingen niet kan – en andere dingen mogelijk juist des te beter – en dat dat prima is.

“Ik zie vaak dat ouders hun gehandicapte kind afkappen in hun fantasie, terwijl ze hun niet-gehandicapte kinderen wel in hun fantasieën blijven bevestigen.”

Die ouders hebben gelijk. Het ís ook hun taak om hun kinderen – gehandicapt of niet – realiteitszin bij te brengen. Tegen deze ouders wil ik benadrukken dat oog hebben voor de realiteit en er lekker op los mogen fantaseren prima samengaan! Onderzoeken hebben zelfs aangetoond dat kinderen die goed hebben leren fantaseren, slimmer zijn dan kinderen bij wie hun fantasie onvoldoende geprikkeld of zelfs afgekapt is. De verklaring is simpel: door te fantaseren doen kinderen ervaring op, leren kinderen verbanden zien en met hun (voor)gevoelens omgaan. Stuk voor stuk vaardigheden die ze later, als volwassene, goed kunnen gebruiken, zowel privé als in hun werk.

In mijn werk als kindercoach zie ik vaak dat ouders hun gehandicapte kind afkappen in hun fantasie, terwijl ze hun niet-gehandicapte kinderen wel in hun fantasieën blijven bevestigen. De meeste ouders laten het wel uit hun hoofd om hun niet-gehandicapte kind dat ervan droomt dokter, leraar of profvoetballer te worden, te vertellen dat dat toch niet zal lukken. Integendeel, de meeste ouders zullen er vertederd om lachen en hun kind op een gepaste manier steunen.

Waarom zou je dan wel de fantasieën van je gehandicapte kind in twijfel trekken? Net als je niet-gehandicapte kind zal je gehandicapte kind nog lang genoeg volwassen zijn om te ondervinden wat wel en wat niet haalbaar is. Tel daarbij de voordelen op, nu en in de toekomst, als je gehandicapte kind de kans krijgt om zijn of haar fantasie te behouden en verder te ontwikkelen. Dan kun je als ouder niet anders dan ook je gehandicapte kind in zijn of haar fantasieën te blijven bevestigen!

Advies

Dus, zie je dat je gehandicapte kind zit te kijken naar spelende kinderen? Denk dan niet meteen dat dat sneu is. Neem je kind ook vooral niet zonder te vragen zomaar mee naar huis, want het is immers aan het spelen.

Vraag je gehandicapte kind of het leuk is. Kijk mee en let op waar je kind om moet lachen en waar het zich bij inspant. Misschien lukt het om een gesprekje te voeren over wat je gehandicapte kind aan het doen is, maar verwacht daar de eerste keren niet te veel van. Het feit dat je je gehandicapte kind serieus neemt in zijn of haar spel, is de eerste stap om écht te kunnen zien en meebeleven met het spel en de kunsten van je gehandicapte kind.

Vraag je gehandicapte kind of het leuk is. Kijk mee...

Vraag je gehandicapte kind of het leuk is. Kijk mee...


0 mensen hebben gereageerd

Alles over rollen

Zoeken
Back to top